Archeologen ontdekken middeleeuws made-in-China-label op oude scheepslading

22-05-2018Daan Couwenbergh

Chinees scheepswrak in de JavazeeIn de jaren ’80 werden op de bodem van de Javazee de resten van een scheepslading gevonden. De herkomst van de duizenden stukken keramiek op ze zeebodem bleef lang onbekend, maar de ontdekking van een subtiele aanwijzing op een stuk keramiek heeft archeologen nieuwe informatie gegeven.

‘Made in China’- label

Al sinds de ontdekking in de jaren ’80 doen archeologen onderzoek naar de herkomst van de verloren scheepslading. In de jaren ’90 werd de lading na onderzoek gedateerd als midden- tot laat dertiende-eeuws. Maar archeologen die verder gingen met het onderzoek ontdekten bewijs dat aantoont dat de scheepslading waarschijnlijk een eeuw ouder is. Archeologen troffen op het aardewerk markeringen aan die de herkomst aangeven. Een middeleeuwse variant op een ‘made in China’- label dus. Uit dat label bleek dat de lading aardewerk werd gemaakt in de Chinese regio Jianning Fu.

Dat was de aanwijzing die de archeologen nodig hadden om het aardewerk te dateren. De spelling van Jianning Fu werd namelijk na de Mongoolse invasie van 1278 veranderd in Jianning Lu. Volgens de archeologen was dat een aanwijzing dat de lading veel ouder was, wellicht uit de twaalfde eeuw.

Koolstofdatering bevestigt vermoeden

Chinees scheepswrak in de JavazeeOm de leeftijd van de scheepslading beter vast te kunnen stellen, werd er ook naar andere delen van de lading gekeken. Een deel van de lading bestond namelijk uit slagtanden, waarvan de leeftijd met behulp van koolstofdatering nauwkeurig kon worden bepaald. Ook deze koolstofdatering gaf aan dat de lading niet zevenhonderd jaar, maar achthonderd jaar oud was.

Vondst past in het historische plaatje

Met deze nieuwe resultaten wordt ook het historische verhaal over de Chinese zeevaarders in deze periode completer. In deze tijd richtten Chinese handelaren zich meer op de handel overzee, dan op de handel via de zijderoute over land. De vondst van een grote scheepslading uit deze tijd ondersteunt dit verhaal.

Bron en afbeeldingen

The Field Museum

Paardenskelet opgegraven in Pompeï

16-05-2018Daan Couwenbergh

Paard gevonden in PompeïEven buiten Pompeï hebben archeologen een paardenskelet gevonden. De resten van het paard werden even buiten de stad gevonden tussen de ruïnes van wat volgens archeologen een stallencomplex is geweest.

Eerste complete paardenskelet in Pompeï

Het is voor het eerst dat er een compleet paardenskelet is gevonden in de stad. In het stallencomplex werd volgens de archeologen ook een trog gevonden. Het paard is zichtbaar gemaakt op dezelfde manier zoals dat bij veel resten van mensen in Pompeï is gedaan. De holte die in de dikke laag vulkanische as achterbleef nadat het lichaam van het paard is vergaan, werd gevuld met vloeibaar gips, zodat de contouren van het paard zichtbaar werden.

De resten van het paardenskelet wijzen erop dat het paard een schofthoogte had van ongeveer één meter vijftig. Dat is naar huidige standaarden vrij klein, maar gezien het feit dat paarden in de Romeinse tijd een stuk kleiner waren, was het paard voor Romeinse begrippen waarschijnlijk behoorlijk groot.

Dure leidsels

Bij het paard werden resten van een duur leidsel van ijzer en brons gevonden. Dat, en het grote formaat van het paard wijzen er volgens de archeologen op dat het een duur paard was, dat speciaal gefokt was voor speciale, ceremoniële gelegenheden.

Leven na de ramp in Pompeï

Het paard was niet de enige vondst die werd gedaan. Tijdens de opgraving werden ook resten van gereedschap en keukengerei gevonden. Bijzonder was ook een graf dat werd gevonden. Dat graf, waarin een man begraven lag, werd volgens de archeologen gedolven na de uitbarsting van de Vesuvius in 79. Dat wijst erop dat mensen na de uitbarsting terugkeerden en probeerden te leven in de ruïnes van de stad.

Illegale opgeravingen

De vondst is volgens de archeologen extra bijzonder, omdat de vondst is gedaan in een gedeelte van Pompeï waar in de afgelopen decennia veel illegale opgravingen plaatsvonden. Daarom zijn er nieuwe onderzoeken naar het gebied gestart, zodat het overgebleven erfgoed beter beschermd blijft.

Bronnen:

The Local
Parco Archeologico Pompei 

Afbeelding:

Parco Archeologico Pompei 

Archeoloog Maaike de Haas registeert noordelijke bodemschatten

 
 
 
 Archeoloog Maaike de Haas registreert de bodemschatten die detectorzoekers opsporen in de drie noordelijke provincies. ,,Gespen, schoengespen, zó veel!’’

Ingespannen tuurt archeoloog Maaike de Haas naar de inhoud van een plastic zak op haar bureau in een loods van het Noordelijk Archeologisch Depot in Nuis.

Onder speciale belichtingslampen ligt de opbrengst van 25 jaar lang zoeken met een metaaldetector op één Groninger wierde, door één hobbyist.

Locatie geheim uit vrees voor concurrentie

De eigenaar heeft de ‘buit’ meegegeven zodat Maaike alle voorwerpen kan registreren.

Archeologe Maaike de Haas, Vondstregistrator bij PAN.

„Ik heb bij hem thuis al zo’n honderd objecten gefotografeerd en beschreven. Maar het is zoveel, dat ik een deel tijdelijk in bruikleen heb gekregen”, vertelt Maaike, terwijl ze voorzichtig voorwerpen uit de berg peutert. De eigenaar wil niet dat de locatie wordt genoemd, uit vrees voor ‘concurrentie’.

Maaike zet de vondsten in PAN (Portable Antiquities of the Netherlands). Een Nederlandse database die als doel heeft om oudheidkundige vondsten in privébezit, met name metaalvondsten van detectorzoekers, te documenteren voor de wetenschap, onderzoek, musea en geïnteresseerden.

Sinds juli 2016 is het wettelijk verplicht om detectorvondsten te melden. Dat is moeilijk te handhaven, erkent Maaike, maar de actieve detectorzoekers in Drenthe, Groningen en Friesland blijken erg welwillend.

Paardentuigbeslag uit de Romeinse tijd

Een voor een pakt ze de metalen voorwerpen. En met de dictie van een deskundige uit Tussen Kunst & Kitsch’ noemt ze op wat ze ziet: paardentuigbeslag uit de Romeinse tijd, een duit uit 1771, ringgespen uit de Middeleeuwen, kledinghaken uit de 16de eeuw, een knoop uit de 16de eeuw, Romeinse mantelspelden uit de eerste eeuw na Christus.

Achter de dijk Termunten zoekt iemand met een metaaldetector het land af naar wat ‘bruikbaars’. Foto: Jan Zeeman

Het meest verrast is ze door een fragment van een zilveren munt, met duidelijk zichtbaar Arabische tekens. „Fascinerend, hoe komt een Arabische munt in het Noorden?”

Na bijna twee jaar registreren telt database 30.000 vondsten

Soms werkt ze in de loods in Nuis, maar meestal bezoekt ze metaaldetectorzoekers in de drie noordelijke provincies. De geldwaarde van de vondsten interesseert haar niet, de archeologische waarde staat voorop.

„Vaak heeft het in geld uitgedrukt weinig waarde, hoewel een zeldzame gouden munt een behoorlijke prijs kan aantikken.” Zulke vondsten zitten er soms tussen, zoals een mantelspeld uit de twaalfde of dertiende eeuw gemaakt van een Arabische munt die mee is gekomen van een van de kruistochten.

Enkele van de vondsten die De Haas in de database registreert

De identiteit van de vinders en de exacte vindlocaties blijven onzichtbaar in de database. „Zoekers willen hun zoekgebied beschermen. De boer op wiens land ze zoeken moet toestemmen. En die mag niet overlopen worden door een kudde zoekers.

Duizend tot tweeduizend zoekers in het Noorden

Angst dat archeologen land claimen voor langdurig onderzoek hoeven boeren niet te hebben; alleen als ergens wordt gebouwd hebben archeologen het recht onderzoek te doen.”

Na bijna twee jaar registreren telt de database 30.000 vondsten, afkomstig van 2500 verschillende locaties door heel Nederland, aangeleverd door zo’n driehonderd detectorzoekers.

Archeologe Maaike schat het aantal actieve zoekers landelijk ergens tussen de vier- en negenduizend, gebaseerd op de ledenaantallen van twee metaaldetectorverenigingen en de verkoop van detectoren.

In Drenthe, Friesland en Groningen zijn duizend tot tweeduizend actieve zoekers, is een ruwe schatting van de archeologe. „Van de landelijk 30.000 vondsten zijn maar liefst 4800 uit Friesland afkomstig. Tachtig procent van alle noordelijke vondsten komt uit Friesland, vanwege het hoge aantal zoekers.’’

En van welke vondsten heeft ze inmiddels de buik vol, wat is het ‘plastic van de Middeleeuwen’? „Gespen, schoengespen, zó veel! Maar het gaat ons niet om de archeologische waarde, maar ook om de aantallen en de verspreiding, we zijn dus ook geïnteresseerd in ‘simpele’ dingen. Maar we hebben een grens getrokken: we documenteren tot in de 16de eeuw, want daarna kwam de massaproductie tot stand en zien we een explosie aan materiaal.”

PAN is opgezet naar Brits voorbeeld, waar bodemvondsten sinds 1999 worden geregistreerd door een veertigtal archeologen in vaste dienst. „Goudvondsten worden in Engeland altijd bezit van de staat.

In Nederland moet je de waarde van ‘schatvondsten’ – bijvoorbeeld een gouden munt of meerdere zilveren – delen met de landeigenaar. De Britse database telt inmiddels 1,3 miljoen vondsten en wordt gebruikt voor promotieonderzoek en wetenschappelijke publicaties.”

Gouden oorbel uit Loppersum

Adembenemende ontdekkingen? „De vondst van een veertigtal gouden, laat-Romeinse munten. En vorige week zette ik een gouden oorbel op de foto, gevonden in de gemeente Loppersum. We dachten eerst dat de steentjes mogelijk diamantjes waren, maar een expert heeft ernaar gekeken: bergkristal. Het maakt deel uit van een set van twee oorbellen en een broche en die set staat zelfs op een schilderij.”

De in Loppersum gevonden gouden oorbel.

De kennis over de vondsten moet worden bewaard, benadrukt De Haas. ,,Want niets is erger dan wat we zagen tijdens een verzamelaarsbeurs in Utrecht: bakken vol bodemvondsten die te koop werden aangeboden, afkomstig uit Roemenië en Hongarije, illegaal verkregen bodemvondsten die verdwijnen zonder dat iemand het verhaal er achter kent. Kennis over het verleden gaat zo verloren.”

Meldplicht voor bodemvondst

Zoeken met metaaldetectoren is pas sinds 1 juli 2016 wettelijk toegestaan, met de nieuwe Erfgoedwet. Maar er zijn voorwaarden. Zo mag een detectorzoeker niet dieper dan 30 centimeter graven, niet zoeken op een monument of lopende archeologische opgraving en er moet toestemming zijn gegeven door de grondgebruiker.

Bovendien is er een meldplicht voor elke vondst. Doel is de wetenschappelijke informatie van de vondsten te behouden. Melden kan bij de archeologen van PAN.

Vondsten in Drenthe, Groningen en Friesland kunnen worden gemeld bij ‘vondstregistratoren’ Margot Daleman en Maaik de de Haas. Dat kan via de website van PAN: www.portable-antiquities.nl

 

Neferiti niet in Toetanchamons graf

07-05-2018Gillis Kersting

Toetanchamon op strijdwagenNieuws uit het graf van de Toetanchamon: er zijn geen geheime kamers ontdekt. De Egyptische autoriteiten hebben  bekendgemaakt dat er een einde komt aan het jarenlange onderzoek naar de verborgen ruimtes in de graftombes van de farao van de veertiende eeuw v. Chr..

Verwachtingen van Reeves

De Britse egyptoloog Nicolas Reeves voedde in 2015de verwachtingen op spectaculaire archeologische ontdekkingen. Bij zijn bezoek aan Toentanchamons graf ontdekte hij opmerkelijke scheuren in de muren van de rustkamer. Wellicht, vermoedde de archeoloog, leidden deze openingen tot een verbogen kamer achter de wanden.  

De ontdekking van de eeuw

De speculaties groeiden nadat Japanse onderzoekers wereldkundig maakten dat zij met radarscans inderdaad grote ruimtes tussen de muren hadden ontdekt. ‘De ontdekking van de eeuw’  kwam eraan. Het wereldberoemde graf van Toenachamon zou slechts de buitenkant vormen van een nog grotere tombe. Vermoedelijk zou de rustplaats toebehoren aan Neferiti, de moeder van de farao, wier graf nooit is gevonden.

Onderzoek met geavanceerde radarapparatuur

Een volgend onderzoek in 2016 leverde niets op. Amerikaanse archeologen zochten naar de verbogen kamer met  geavanceerde radarapparatuur. Ondertussen nodigde het Egyptische ministerie van Oudheden wetenschappers uit van over de hele wereld om hen te helpen de graftombe te ontdekken.

Exacte Italiaanse metingen

Een Italiaans team heeft nu de speculaties weerlegd. De onderzoekers denken te weten waarom eerdere scans aanvankelijk leken te wijzen op het bestaan van een verborgen ruimte. Het de radarsignalen die door wanden heen moeten drignen, werden door weerkaatst door het pleisterwerk van de muurschidlerignen. De echo, die hierdoor otnsond, leek te wijzen op een ruitme achter de wanden. Exacte Italiaanse metingen hebben de vooronderstelling weerlegd. pleisterwerk op de muurschilderingen reflecteerde de radarsignalen.

Bronnen:

Afbeeldingen:

Archeologen ontdekken resten van massamoord in Zweden

01-05-2018Daan Couwenbergh

Moord Sandby Borg

In Sandby Borg, in Zweden, hebben archeologen de overblijfselen van een grote moordpartij uit de vijfde eeuw opgegraven. Volgens hun publicatie in het wetenschappelijke tijdschrift Antiquity geeft de opgraving een bijzondere inkijk in het leven in het stadje in de vijfde eeuw, tot dat tot een abrupt en gewelddadig einde kwam.

Opgravingen bij Sandby Borg

Samdby Borg, op het Zweedse eiland Öland is al sinds 2011 een belangrijke opgravingssite. Na de ontdekking van wat waarschijnlijk putten met geplunderd materiaal werd er een groot onderzoek opgezet. Al snel werd duidelijk dat de plek een gewelddadige geschiedenis had. Veel van de gevonden menselijke resten vertoonden sporen van verwondingen met scherpe voorwerpen, of verwondingen die door slagen met stompe voorwerpen waren toegebracht.

Het bloedbad van Sandby Borg

Het bloedbad van Sandby Borg moet hebben plaatsgevonden tussen het jaar 450 en 500 na christus. Wat er precies gebeurd is, is onduidelijk, maar volgens de archeologen zijn er verschillende overtuigende aanwijzingen dat het dorpje werd uitgemoord. De lichamen werden gevonden verspreid in en tussen de huizen, en niet zoals meestal na grote veldslagen, in massagraven. Dat wijst er volgens de archeologen op dat er na de moordpartij niemand meer terug kon, of wilde komen om de doden te begraven.

‘Bevroren in de tijd’

Opmerkelijk is ook dat de moordpartij onverwacht heeft plaatsgevonden. Dat maken de archeologen op uit het feit dat er sporen zijn gevonden van half opgegeten maaltijden. In een van de lichamen werd een halve haring gevonden. Ook op andere plekken werden sporen gevonden van vee dat wel was geslacht, maar nog niet was opgegeten. Doordat het bloedbad plotseling en snel plaatsvond, en de plek daarna lange tijd onaangeroerd is gebleven, is een bijzondere inkijk in het alledaagse leven ontstaan.

Wie waren de aanvallers?

Wie de aanvallers waren en waarom zij het dorpje bij het fort uitmoordden, is onduidelijk. Het was geen plundertocht die was gericht op financieel gewin. Tussen de resten van het dorpje werden nog veel rijkdommen gevonden, waaronder Romeinse munten. Dat al die rijkdommen, alsmede vee werd achtergelaten, geeft aan dat dit geen ‘gewone’ plundertocht was. De archeologen suggereren daarom dat het gaat om een moordpartij met een politiek of misschien zelfs terroristisch motief, waarbij een nieuwe heersende partij met angst en gruwelen een leidende positie in de maatschappij afdwong.

Bron:

Cambridge University Press: A moment frozen in time: evidence of a late fifth-century massacre at Sandby borg

Afbeelding:

By Bairuilong [CC BY-SA 4.0], from Wikimedia Commons

Romeins verleden Zuid-Limburg beleefbaar dankzij ‘Via Belgica, vind jouw weg’

26-04-2018Jaimy Stregels

Via Belgica Bank HerkenbergWie nu de Via Belgica wil beleven, heeft letterlijk zijn verbeelding nodig. Deze oude Romeinse heirbaan zelf is immers niet meer zichtbaar. De Vrienden van Via Belgica maken de betekenis van het verleden zichtbaar in het heden. De eerste resultaten zijn gepresenteerd op woensdag 25 april om 14.00 uur in het Derlon Hotel in Maastricht.

2000 jaar terug in de tijd

De naam Via Belgica is in de twintigste eeuw gegeven aan een 400 kilometer lange oude Romeinse heirbaan, die dwars door Zuid-Limburg liep en de Franse zeekust met het Duitse Rijnland verbond. De weg zelf is niet meer zichtbaar, maar haar betekenis werkt door tot in het heden.De Romeinen stortten in Zuid-Limburg het fundament voor hoe we nu leven. Ze bouwden wegen, gebouwen, dorpen en steden. Brachten wijn en olie. Kippen, druiven en kersen. Een nieuwe religie, militairen én ambtenaren. Ze leerden ons met munten te betalen en op grote schaal granen te telen. Ze startten de urbanisatie en de agro-industrie en introduceerden geschreven taal, slimme technieken en de rechtspraak. Hun invloed is tot op de dag van vandaag tastbaar.

Romeinse verleden in Zuid-Limburg 

Gedeputeerde Teunissen (Archeologie) licht toe: “Bewoners en ondernemers krijgen nadrukkelijk de gelegenheid om betrokken te raken bij het verhaal en de activiteiten. Ik vind het belangrijk dat inwoners meer weten over het gebied waar ze wonen, zeker met een dergelijk enorm rijke historie. Limburg is immers de archeologierijkste provincie van Nederland.” Het aanbieden van belevingsroutes, fiets- en wandelroutes onder de vlag van ‘Via Belgica’ geeft het hele gebied een extra toeristische aantrekkingskracht. In totaal steken Provincie en gemeenten 300.000 euro in het project. Gedeputeerde Eric Geurts (Toerisme) vult aan: “De toeristische sector krijgt met een aansprekend (archeologisch) verhaal een rijker toeristisch product. Dit zorgt voor een extra kwaliteitsimpuls aan het toerisme in (Zuid)Limburg en hopelijk leidt het ertoe dat mensen besluiten langer te verblijven in dit prachtige gebied.”

Via Belgica, vind jouw weg

Via Belgica krijgt een volledig vernieuwde website en een unieke navigatie-app. Via www.viabelgica.nl kan de bezoeker zelf zijn route uitstippelen door Romeins Zuid-Limburg op thema’s die hem aanspreken. Het landschap wordt er beschouwd als een openluchtmuseum en de bezoeker kan via nummers op inspirerende wijze verhalen horen van bijzondere locaties en vindplaatsen. Deze nummers worden vermeld op routepalen (die aansluiten op het nog te ontwikkelen knopenlopensysteem) of locatiebordjes. De app biedt aanvullend hierop een unieke navigatietool en ontsluit de verhalen die middels Augmented Reality tot leven worden gebracht.

Wandelroutes in in Romeins Zuid-Limburg

In nauwe samenwerking met betrokken gemeenten, vrijwilligers, het Routepunt, IVN en IKL zijn een tiental Via Belgica routes ontwikkeld, geoptimaliseerd en in kaart gebracht. Niet alleen de volledige Via Belgica-route, van Rimburg tot Maastricht, kan te voet of op de fiets worden beleefd, ook diverse kortere ommetjes leiden de bezoeker langs aansprekende locaties.

Langs de route zijn inmiddels een vijftal Via Belgica meubels geplaatst. De meubels geven extra informatie over de plek en bieden een plek om als bezoeker te geoeten van de omgeving. De bankjes zijn inmiddels al geplaatst in: Meerssen (Romeinse villa), Houthem (park Chateau St. Gerlach), Valkenburg (Goudsberg/ Romeinse wachttoren), Voerendaal ((Romeinse villa), Heerlen (Romeins kwartier). Maastricht en Landgraaf volgen spoedig.

Nationale Romeinenweek

Tijdens de Nationale Romeinenweek wordt de Via Belgica beleefbaar dankzij diverse activiteiten die plaatsvinden van 26 april tot en met 6 mei. Samen met de Vrienden van Via Belgica is een divers programma samengesteld. Ga bijvoorbeeld in gesprek met een Romeinse soldaat tijdens een marskamp in Landgraaf, geniet van Romeinse lekkernijen tijdens een kookworkshop bij Villa de Proosdij in Klimmen, maak je eigen badolie bij het Thermenmuseum in Heerlen of wandel langs Romeinse opgravingen in Maastricht. Kijk voor het complete programma op www.viabelgica.nl en vind jouw weg!

‘Amateur-archeoloog Ad Wouters was deskundig, maar ook een geraffineerd vervalser’

 

,,Alle vondsten van amateur-archeoloog Ad Wouters zijn besmet en moet je vergeten”, zegt prof. dr. Leendert Louwe Kooijmans. ,,Dat geldt ook voor Tjerk Vermaning.”

Kompaan Tjerk Vermaning sjoemelde met vindplaatsen
 

Kooijmans is emeritus hoogleraar prehistorie aan de Rijksuniversiteit Leiden. Vorig jaar publiceerde hij Onze vroegste voorouders, een standaardwerk over Nederland in de steentijd. Het gesjoemel met archeologische vindplaatsen van de Ahrensburg-cultuur door Wouters (1917-2001) is voor hem oud nieuws.

Een ziekelijke neiging tot oplichting

,,In mijn boek heb ik alles wat naar Wouters riekt weggelaten”, zegt hij. ,,In Limburg en Brabant is al eerder aangetoond dat hij sjoemelde. Deze nieuwe onthulling past in een bekend patroon. Er is wel gezegd dat Wouters leed aan pseudologia fantastica: een ziekelijke neiging tot oplichting. Overigens zonder financieel winstbejag. Het ging hem puur om het prestige.”

Kooijmans sluit niet uit dat Wouters en Vermaning ook goede vondsten hebben gedaan. ,,Maar daar kun je als archeoloog niks mee door die vervalsingen. Ik verdoe er mijn tijd niet mee.”

‘De eerste keer dat het echt bewezen is én op papier staat’

Archeoloog Nico Arts uit Eindhoven had vroeger regelmatig te maken met Wouters. ,,Hij gold aanvankelijk als de grote kenner, tot er twijfels rezen. Ik weet van een neolithisch mes dat hij aan drie verschillende vindplaatsen heeft toegeschreven. Er zijn meer voorbeelden. Wouters kon ook goed stenen namaken. Hij was deskundig en een geraffineerd vervalser.”

Arts is blij met de publicatie. ,,Dit is de eerste keer dat het echt bewezen is én op papier staat. De meeste collega’s houden zich afzijdig en zwijgen over het bedrog, omdat ze amateurs niet tegen zich in het harnas willen jagen.”

‘Alsof Wouters per se de primeur wilde hebben’

Evert Kramer was conservator van het Fries Museum toen Wouters zijn collectie met stenen uit de omstreden vindplaats Sintjohannesga aan het museum schonk. ,,Ik vond het merkwaardig dat hij ze toestuurde toen er net, voor het eerst in het Noorden, een Ahrensburg-vindplaats in Oudehaske was ontdekt. Alsof hij per se de primeur wilde hebben. Het was een ongevraagd cadeautje, waar we verder niet veel mee hebben gedaan.”

Volgens Kramer moeten de vindplaatsen worden geschrapt. ,,De collecties moeten wel behouden blijven. Als afschrikwekkend voorbeeld van hoe archeologen bij de neus kunnen worden genomen.”

‘Er moeten een paar stippen van de kaart, dat is alles’

Ook Kooijmans wil van de Wouters-vindplaatsen af. ,,Daardoor verschraalt ons beeld van de prehistorie, maar misschien is dat maar goed ook: de vondsten waren altijd spectaculair, uniek en beeldbepalend. Daar zit natuurlijk een luchtje aan. Weg ermee dus. Het algemene beeld van de prehistorie wordt er niet anders van. Er moeten een paar stippen van de kaart. Dat is alles.”

Wat betreft de Vermaning-vondsten is Kooijmans blij met de recente ontdekking van het neanderthaler-kampement bij Assen. ,,Die staat wel in mijn boek: de vondsten zijn goed onderzocht en gedocumenteerd en boven alle twijfel verheven. En daarmee kun je Vermaning verder vergeten.”

Niet overtuigd

Klaas Geertsma van de APAN, de vereniging van amateurarcheologen die de vondsten van Vermaning en Wouters als echt beschouwen, is door het artikel niet overtuigd van de vindplaatsvervalsingen. ,,Ik zie drie verschillende stenen in de tekeningen die bij het artikel stonden”, zegt hij.

Dat die vondsten vals worden genoemd is volgens Geertsma juist ‘het grootste schandaal uit de Nederlandse wetenschap’. ,,Er zijn ook professionele archeologen die de vondsten Vermaning en Wouters wel serieus nemen”, zegt hij. Namen wilde hij niet noemen. ,,Veel archeologen durven hun handen er niet aan te branden uit angst voor hun collega’s.”

Ruim duizend jaar oude schat van Deense koning Blauwtand ontdekt in Duitsland

Archeologen hebben in een akker op het eiland Rügen in Noord-Duitsland een waardevolle zilveren schat ontdekt uit het einde van de tiende eeuw. Een deel van de vondst wordt toegewezen aan het bewind van de Deense koning Harald Blauwtand (910-987).

 

De schat bestaat uit kettingen, armbanden, kralen, broches, een hamer van Thor, ringsieraden en ongeveer vijf- tot zeshonderd gedeeltelijk door midden gehakte munten.

Zo’n honderd van deze muntstukken behoorden toe aan het bewind van de legendarische koning Blauwtand. Archeologen noemen het de grootste enkele vondst van Blauwtand-munten in de zuidelijke Baltische regio.

Al in 1872 en 1874 werden op enkele kilometers afstand op het eiland Hiddensee de beroemde gouden sieraden van de Hiddensee ontdekt.

Blauwtand werd geboren als viking en wordt beschouwd als de stichter van het Deense Rijk, die het land heeft opgericht, het christendom heeft geïntroduceerd en hervormingen heeft doorgevoerd. Zijn rijk omvatte naast Denemarken ook delen van het Noorwegen en Zweden.

De draadloze verbinding Bluetooth is naar deze koning vernoemd.

Drentse geschiedenis in nieuw perspectief

In twee kloeke boeken is de geschiedenis van Drenthe opnieuw beschreven. Maandag 9 april zijn ze in de oude kerk van Vries gepresenteerd. Vier jaar lang hebben archeoloog Wijnand van der Sanden en historicus Michiel Gerding gewerkt aan de provinciale historie in een nieuw perspectief. Wat we al wisten is opnieuw verteld en nieuwe kennis over de geschiedenis wordt verhelderd met veel beeldmateriaal. Dronefoto’s dragen bij aan dat nieuwe perspectief.

Belangrijkste Drent
Als er een belangrijkste-Drent-verkiezing zou zijn, zou rijkslandbouwleraar Jakob Elema de favoriet zijn van Michiel Gerding. Zijn invloed op de ontwikkeling van de landbouw was van onschatbare waarde. In 1937 hield hij zijn laatste van 774 lezingen en bereikte zo 45.000 boeren, die enthousiast aan de slag gingen met betere landbouwmethoden. Het kwam voor dat er nog tijdens de lezing een coöperatie werd opgericht, bijvoorbeeld om gezamenlijk veevoer of kunstmest in te kopen. Hij was een van de grondleggers van de studierichting cultuurtechniek en  initiatiefnemer van een systeem van proefvelden. Gerding constateert dat de periode 1860-1920 een enorm dynamische periode is geweest in de landbouw.

Offers en toverij
Het lijkt erop dat offeren van waardevolle spullen in Drenthe tot in de
zeventiende eeuw heel gewoon was. Zo wordt er melding gemaakt van
tientallen bronzen kookpotten en ander metalen vaatwerk, die zijn opgegraven. Uit het Orvelterveen is een zeventiende-eeuwse baardmankruik opgediept, die lijkt op Engelse exemplaren die vanwege hun curieuze inhoud als nagels, haar of spijkers en spelden in verband worden gebracht met toverij. Tot in de twintigste eeuw geloofden Drenten nog in toverij.

Een misrekening
Vanwege de vervening is Drenthe doorsneden door kanalen, meestal
met de hand gegraven en particulier initiatief. Een curieuze is het Oranjekanaal van de Drentsche Hoofdvaart naar de venen zuidelijk van Emmen.
Tussen 1853 en 1856 is het deel tot Odoornerveen gegraven. Maar toen
bleek dat er verkeerd was gemeten. Bij Zuidbarge kwam het kanaal te
hoog te liggen om van nut te zijn. Pas later werd het veen zuidelijk van
Emmen ontsloten vanaf het Stadskanaal. Door het Oranjekanaal zijn wel
diverse dorpen ontstaan, waaronder Schoonoord. 

De vrijheid van de tram
Trams maakten het begin twintigste eeuw voor iedereen mogelijk Drenthe te bereizen. Zes ondernemingen exploiteerden uiteindelijk negentien
tramlijnen. Voor de Drent leverde het bewegingsvrijheid op. Oosterhesselen werd een belangrijk knooppunt als kruising van de lijnen Assen- Coevorden en Hoogeveen-Nieuw-Amsterdam. De meest kronkelende tramlijn van het land liep van Meppel naar Balkbrug: zeventig bochten op 21 kilometer. De hoogtijdagen van de tram waren betrekkelijk kort. Al na de Eerste Wereldoorlog luidde de concurrentie van bus en vrachtwagen het begin van het einde in.

Michiel Gerding
Alles overziend is zijn conclusie dat de provincie in hoofdzaak een lijdend voorwerp is geweest, nooit een hoofdrolspeler. Drenthe was vooral goed voor anderen, om er oorlogen en conflicten uit te vechten, om als  wingewest te dienen voor Hollandse heren, om er turf, olie, gas en keien vandaan te halen en om er mensen en materiaal kwijt te raken die niet meer gebliefd werden. In de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden was Drenthe goed voor 1 procent van ’s lands inkomsten, dus
het telde nauwelijks mee. De Maatschappij van Weldadigheid zocht niet voor niks in Drenthe naar grond voor landbouwkoloniën om er paupers en wezen naar ‘op te zenden’. Justitie was er later blij mee om criminelen op te bergen, bij Wijster was een prima plek om huisvuil uit de Randstad te dumpen, militairen konden heel best oefenen in die dunbevolkte provincie en als het om psychiatrische patiënten en gehandicapten ging stond Drenthe ook bovenaan bij de vestigingsmogelijkheden.
Niet dat de Drent daarover moet treuren, vindt Gerding. „Want het heeft ook ongelooflijk veel opgeleverd en betekend.” Betere bereikbaarheid en vooral ook werkgelegenheid waren het gevolg. Met als belangrijkste ontwikkeling de vervening, die niet alleen aan tienduizenden werk verschafte, tientallen dorpen liet ontstaan (Hoogeveen was geruime tijd de grootste plaats van Drenthe), scheepvaart mogelijk maakte en niet in de laatste plaats extra landbouwgebieden opleverde. „De vervening was niet per definitie armoede. Dat beeld is blijven hangen doordat in Nederland de vraag naar turf na 1920 opdroogde en er tegelijk een economische crisis ontstond. Maar het heeft Drenthe veel gebracht.”
Een ander opmerkelijk Drents fenomeen noemt Gerding het ontbreken van een stedelijke cultuur. Echte steden kent Drenthe eigenlijk nog steeds niet. De stad Groningen – ooit begonnen als Hondsrugdorp en in die tijd net zo
Drents als de Stellingwerven – heeft naar de mening van Gerding eeuwenlang meer betekenis gehad in Drenthe dan Assen, Emmen, Hoogeveen, Meppel en Coevorden.
‘Stad’ komt dan ook veelvuldig voor in de nieuwe beschrijving van de Drentse geschiedenis. Gerding durft ook wel te beweren dat Assen niks geworden zou zijn als de Drentse hoofdvaart niet was gegraven, dus indirect heeft ook die stad veel te danken aan de vervening.
„Het is dus een echte plattelandsgeschiedenis. Adel had weinig macht. De bewoners van de havezaten waren boer met de andere boeren. Het was eeuwenlang een samenleving zonder grote verschillen in rang en stand.” Dat noemt Gerding ook als reden voor een bijzonder sterk ontwikkeld gevoel van collectiviteit. Nergens anders waren de boermarken zo belangrijk als in Drenthe en coöperatieve ondernemingen waren de Drent op het lijf geschreven. De aard van het landschap ziet Gerding als de belangrijkste verklaring voor de noodzaak tot samenwerking, zeker
op het zandgedeelte van de provincie. Hij noemt de gezamenlijke exploitatie van de essen en het gezamenlijk hoeden van schapen voor de bemesting van het land.
Zonder samenwerking redde de boer het niet. Sinds de middeleeuwen was Drenthe een land van zelfstandig functionerende boerensamenlevingen onder een beperkt centraal gezag. De dorpen redden zich zelf op veel terreinen. Zelfs rechtspreken deden ze zelf. Een enorm dynamische periode was de tijd tussen 1860 en 1920. De landbouw ontwikkelde zich onder meer
door kunstmest en meer kennis toteen bloeiende bedrijfstak. Vooral in
Zuidwest-Drenthe zie je nu nog grote herenboerderijen uit die tijd.
Voor het eerst is in een geschiedenisboek van Drenthe de periode
na de oorlog belicht. Gerding beschrijft die periode als een echte
glorietijd. „Tussen 1945 en 1970 is hier iets groots verricht. Voor die
tijd was er nauwelijks riolering of waterleiding, werk was er weinig en
veel huizen waren die naam niet waardig. En kijk dan eens rond
1970. Er is een enorme inhaalslag geweest waarin Drenthe van een
provincie van ondergeschikt belang een volwaardig onderdeel van
het land is geworden. In 1970 verdiende de Drent gemiddeld meer
dan de Fries of Groninger. De achterstand is ingelopen en de land-
bouw heeft een complete transformatie ondergaan.” En ook hier
heeft de grote bereidheid om samen te werken het verschil ge-
maakt. En het feit dat er in Drenthe na de Tweede Wereldoorlog geen
wederopbouw nodig was, maar alle energie gestoken kon worden in
opbouw. De voortrekkers in dat proces haalden de Drenten dan wel
weer uit andere provincies. Als voorbeeld noemt Gerding commissaris der Koningin Jacob Kramer, die – heel anders dan zijn collega in Groningen – gewoon binnenstapte bij boerenbijeenkomsten om mee te praten over te nemen stappen.
En nu? Drenthe is volgens Gerding nu een gewone provincie als de meeste andere, nog steeds zonder een wezenlijke stedelijke cultuur, maar wel met steeds meer natuur.

Wijnand van der Sanden

Voor Wijnand van der Sanden als auteur van Drentse geschiedenis, een archeologisch perspectief is het boek ook een soort afsluiting van zijn carrière als provinciaal archeoloog. Toen hij begon (1987) was het oude ge-
schiedenisboek van 1985 nog nieuw. Professor Waterbolk stopte daarin bij de waterburcht van Eelde uit 1300.
Wat maandag wordt gepresenteerd is vooral rijk geïllustreerd en kent een verrassende aanpak.
Het boek begint bijvoorbeeld met een bespiegeling vanaf de top van de VAM-berg, het hoogste punt van Drenthe. Het behandelt de complete geschiedenis vanaf de neanderthalers tot en met de Tweede Wereldoorlog. Bodem\vondsten vertellen andere dingen dan de geschreven bronnen. Van
der Sanden noemt het een mooi experiment dat er twee boeken gemaakt zijn over dezelfde geschiedenis: eentje met een archeologische blik, de andere – door provinciaal historicus Michiel Gerding – met een blik vanuit de geschreven bronnen.
Er is daarmee een flinke overlap in de twee boeken, maar geen
dubbeling. Van der Sanden constateert dat er wel veel is veranderd sinds 1985. „De archeologie heeft terrein gewonnen en we zijn sindsdien ook heel wat meer te weten gekomen.” Van der Sanden noemt de nu bewezen aanwezigheid van neanderthalers in Drenthe. Maar ook het opgraven van
het galgenveld in Assen en de vuilnisbelt van doorgangskamp Westerbork uit de Tweede Wereldoorlog hebben de blik op de Drentse geschiedenis flink verruimd. „Hoe groot die galg in Assen is geweest staat nergens
opgeschreven, maar wij konden hem opmeten.”
Na 1980 zijn er heel wat belangrijke opgravingen geweest, die het
inzicht in Drenthes historie behoorlijk hebben opgepoetst en
verdiept.
„Archeologie ging altijd over objecten en projecten. Nu is er voor het eerst een overzichtelijk geheel, dat inzicht geeft in de ontwikkelingen in al die eeuwen.
Drenthe is in dit boek niet meer alleen de bouw van huizen, de aanleg van akkers en het begraven van mensen. Er gebeurt veel meer. Religie komt erg naar voren en de rituelen die daarbij horen. Allerlei gebruiken in Drenthe zijn nooit eerder beschreven. Het gewone leven was lang doordesemd met rituelen.
Bijvoorbeeld de offers die gebracht werden als een woonplek werd verlaten.”
Zo zijn er lange tijd bronzen kookpotten begraven, waarvan wel vast staat dat het een soort van offer moet zijn geweest.
Door grafvondsten in Dalfsen (OV) is duidelijk geworden wat mensen van de Trechterbekercultuur individueel zoal mee kregen als ze werden begraven. Daarmee wordt ook meer duidelijk over het gebruik van de hunebedden.
„En zo is het verhaal nooit af. Bovendien, als je vijf archeologen de geschiedenis laat vertellen krijg je vijf verschillende verhalen. Wat ik heel interessant vond is de manier waarop tegen de geschiedenis zelf werd aangekeken. Hoe bijvoorbeeld de kijk op hunebedden is veranderd. Er was
een tijd dat ze werden gezien als vitaal onderdeel van een gemeenschap, maar later als bouwsels waar de duivel en reuzen bij betrokken waren. Je kunt je eigen wereldbeeld niet op het verleden plakken. Voor ons is het toch vreemd dat je een bronzen zwaard in het veen achterlaat in plaats van het om te smelten.”
Natuurlijk komt de kwestie Vermaning aan bod: Van der Sanden zet hem in het boek bij in een rijtje vervalsingen in de Drentse archeologie. Behalve de
oeroude bijlen die als ‘recent gefabriceerd’ te boek staan is er het verhaal van wat beeldjes die uit het veen gered zouden zijn en door het museum met graagte van de ‘vinder’ zijn gekocht.
Van der Sanden maakt ook inzichtelijk dat Drenthe in de oudheid al contacten had met andere delen van West-Europa.
Migranten waren er ook in de oudheid. In de provincie zijn maalstenen uit het Rijnland gevonden en bronzen dolken uit Noord-Frankrijk.
Het boek geeft veel antwoorden, maar nog lang niet alle. Zo weet Van der Sanden veel over het beroemde meisje van Yde.
„Maar ik zou als het kon heel graag bij die gebeurtenis zijn geweest om te weten hoe ze om het leven kwam en met wat voor ceremonie ze in het veen begraven is. Maar ook hoe die lange houten weg bij Valthe is aange-
legd. En door wie en waarom.”