De vlammen van Kalteren …… bijna 800 jaar geleden

DE MARKE VAN DIEVER, ZOMER 1227
“Als we hen weg sturen, dan is dat toch genoeg?” Rolant kneep zijn ogen dicht. Hij wilde niet weg. Hij wilde bij haar blijven.

Kalteren moet branden!” riep één van de boeren. Naar de hel met hun belasting! Juurt, Sebo en Abe voegden zich bij ]acomin en Rolant. De jongens keken ongemakkelijk, maar stelden zich toen voor hen op. “Hij is onze vriend,” zei Sebo zachtjes. Laat ze gaan, voegde Abe er iets luider aan toe.

Rolant keek van zijn vader, die ingesloten werd door vier piekeniers, naar zijn grootvader, die nog steeds de vijfde wachter in bedwang hield. Hugo keek terug. Zijn gezicht was vertrokken in een hard masker. Met een brul smeet hij zijn zwaard weg. Vlak voor de voeten van één van de mannen die zijn schoondochter vasthielden, bleef het wapen trillend in de grond staan.

Wij geven ons over!” riep hij, terwijl hij zijn schild van zijn linker arm het glijden.

Rolant stond tussen zijn vader, moeder en grootvader toe te kijken hoe de hof van Kalteren gesloopt werd. De koeien uit de stallen waren ingespannen om de muren van de boerderij en de schuur om te trekken, waarna er brand gesticht werd.

Rolant had Jacomin, Sebo, Juurt en Abe niet meer gezien, sinds hij en zijn familie gevangen genomen waren. De wachters die eerder de hof verdedigd hadden, bewaakten hen nu. Voor het eerst in zijn leven zag hij tranen in de ogen van zijn grootvader (…)

 
Boek De vlammen van Kalteren